Riet dat z’n gang mag gaan. Natte slootranden, ruige rietkragen, verlandende plassen. Liefst met wat struiken erdoorheen, zodat hij kan zingen én wegduiken. Maak het ’m makkelijk: laat 1–2 meter oever staan, maai gefaseerd en pas laat (najaar). In tuin of park: zet een vijver(tje) met lisdodde, riet en gele lis. Laat brandnetel, distels en ruigtehoekjes staan. In landbouwgebied: brede, natte bufferstroken langs sloten. Geen strakgeschoren oevers.
Insecteneter met tempo. Hij pakt muggen, vliegen, kevertjes, rupsen en libellenjuffers. Daarmee helpt hij de insectenpiek in natte gebieden in balans te houden. Zelf is hij voer voor sperwer en boomvalk; rietkragen zijn z’n beste verzekering.
Zomergast. Meestal van april/mei tot augustus/september. Zingt vooral in mei en juni.
Algemeen, maar afhankelijk van gezond rietland en natte, rommelige oevers. Minder riet = minder bosrietzanger.
OH NEEEEE, hoe klinkt de Bosrietzanger dan?! We hebben nog geen goede opnames van deze vrolijke fluiter in onze database. weet jij het? Heb je hem wel eens gehoord? of heb je een goeie opname van deze soort, laat het ons weten en mail naar: [email protected]
We blijven deze tekst aanscherpen. Mis je iets of klopt er iets niet? Mail [email protected] en help mee. Dan strijken we samen de veren weer even goed.