Kleine hoekjes met gedoe: struiken, hagen, oude bomen, klimplanten. En een tuin die niet té netjes is. Hang een nestkast op (klein invlieggat, 28 mm) op 2–4 meter hoogte, uit de volle zon en regen. Laat klimop, meidoorn, hazelaar en wilg staan of plant ze aan: daar zit eten én dekking.
In het broedseizoen is het een rups- en insectenmachine. Eén nest leegtrekken? Duizenden rupsen minder op je fruitboom. In de winter schakelt ie over op zaden en vet. Zelf staat de pimpelmees ook op het menu van sperwer en huiskat—dus geef ‘m dichte struiken om in te duiken.
Het hele jaar aanwezig. Zang en balts vanaf eind winter. Broeden grofweg april–juni.
Algemeen. Gaat het best in groene tuinen, parken en erven. Opgeruimde monotone landbouwgebieden zijn lastiger—meer houtwallen, kruidenranden en struweel maken het verschil.
This text is still being developed. Do you feel inspired to contribute to this info? Let us know at [email protected] and send us something that fits what Luistervink stands for: meaningful, cheerful, sharp bird info that is actually useful. With facts that are correct. With stories that stick. With love for everything that flies, chatters and sings!